Buurtvereniging "Aan de Maas" Geulle.  

 

De Maas in Geulle

 

Op de oevers van de Maas

is dwaas

het dorpje Geulle, lang geleden, neergestreken

‘t heeft binnendijks zijn heil gezocht.

De grond is vruchtbaar en de helling geeft het beken

met helder bruisend levensvocht.

 

De lente stuurt een stroom,

in toom,

die vissers rijkdom brengt en schippers handelswegen,

in kalme vloed, van zuid naar noord.

De veerman brengt de vrijer, ondanks storm en regen,

naar gene zij, naar Amor’s oord.

 

De Maas, in zomertijd,

voert strijd

haar waterstroom in ‘t kiezelbed in stand te houden

tot heil van flora, mens en dier.

Geliefden zullen niettemin hun weg behouden,

men springt heel fier van daar naar hier.

 

De herfst is heel brutaal,

een kwaal,

die telkens mens en dier in grote angst doet vluchten

en welvaart met haar kracht verwoest.

De mens zal steeds de kwade Maas in herfsttij duchten,

want dan heeft zij een harde knoest.

 

De wintermaas is wijs

met ijs

en geeft de  Geullenaren vreugd’ met slee en schaatsen,

de lach verdrijft, met spel, de traan.

Zo jong als oud zal vreedzaam met de ballen kaatsen,

van sneeuw gemaakt, in speelse baan.

 

De Maas, die allen dient,

verdient

de kans haar bed te vullen naar de vier seizoenen,

met brede vloed of smalle vliet.

Het oevergrind biedt zij ons aan, mits nu de koenen

haar oevers ruimen, anders niet!

                                                                                                         

Jacques Aussems, Beek Lb

Verklarende woorden:

 

Amor, Latijnse naam vande  Griekse god Eros, god van de liefde

fier, zelfbewust, trots

knoest, ruwe uitwas (fig.) ingewortelde ondeugd

kaatsen, (plagend) toewerpen

vliet, stroompje, beek

koenen, dapperen

ruimen, in orde brengen, schikken

 

Toelichting bij het gedicht AAN DE MAAS IN GEULLE

 

Het dorp Geulle is gelegen onmiddellijk langs de Maas, zijnde een regenrivier. Deze rivier volgt, in omvang, de regenneerslag in haar stroomgebied. Omdat ter hoogte van Geulle, vooral in de achttiende eeuw, nauwelijks beschermende dijken waren opgeworpen, onderging het dorp alle grillen die de waterfluctuaties met zich meebrachten.

 

Johan Scholtes beschrijft in zijn boek KERKRADE IN DE SCHADUW DER EEUWEN, vermeldenswaardige feiten en gebeurtenissen van 1700 tot 1800 (deel 2, eigen uitgave, Kerkrade, 1981), dat op 7 december 1789 de Maas dermate gestegen was, dat veel van de nabijgelegen dorpen blank kwamen te staan. Hij vermeldt verder, dat het op 28 januari 1795 al enkele weken gevroren had en het ijs op de Maas 10 voet dik was. Uit oude geschriften registreerde hij, dat het weer in juni en juli 1736 bedenkelijke vormen aannam. Vanaf maart had het niet meer geregend. De fruit- en graanoogst dreigde volledig te mislukken. De bevolking werd al vrij vlot geconfronteerd met een gebrek aan levensmiddelen. De Maas zal in die tijd wel de omvang hebben bereikt van een kabbelend beekje.

 

Op basis van dit soort gegevens wordt in het gedicht de ligging van Geulle, zo dicht bij de Maas, in relatie gebracht met de invloed van de seizoenen op deze rivier en de consequenties daarvan voor Geulle. In de eerste strofe wordt die ligging als ‘dwaas’ bestempeld, waarmee tevens ingespeeld wordt op de scheldnaam, die de inwoners van Geulle al sinds mensenheugenis met zich meedragen: ‘de gekke van Gäöl’ (die sjiete op de päöl!). De aan de oostzijde van het dorp gelegen helling tussen het lage en middelterras van de Oermaas ontsluit meerdere bronnen en fors stromende beekjes zoeken een weg naar de Maas. Het water uit die bronnen en beekjes werd gebruikt voor mens en dier.

In de tweede en derde strofe worden de lente- en zomerfase bezongen. Hier wordt ook melding gemaakt van het feit, dat vele jongens en meisjes elkaar over de rivier heen gevonden hebben. Zo vond ook een tante van de dichter, Lies Dekkers, haar Lambert Bollen in Uikhoven op de westoever van de Maas. Tragisch is, dat zij op latere leeftijd, bij een bezoek aan de geboorteplaats van haar man, bij een overtocht met het veerpontje in de Maas  verdronk.

 

De herfst (vierde strofe) handelt onder meer over de gevaren van overstromingen, zoals die ook in de negentiger jaren van de twintigste eeuw plaatsvonden.

 

In de laatste strofe wordt vooruit geblikt. Het project ‘Grensmaas’ voorziet in een grootschalige grindwinning, ook nabij Geulle. Grindwinning wordt in combinatie gebracht met natuurontwikkeling en bescherming tegen hoog water. Het is te hopen, dat het voorziene doel ook te zijner tijd bereikt wordt. Dat vereist veel moed en doorzettingsvermogen van de plannenmakers.

 

Terug